Dick Lefeber

Dit artikel is uit de Waterkampioen. Het verscheen in Waterkampioen 4-2002

DICK LEFEBER, ONTWERPER MET KARAKTER 
Tekst: Frank Koorneef

Iedereen kent de Doerak, Nederlands meest gebouwde motorboot. En de Banjer, de Rogger, de Krammer en de Dutch Sturdy. De tekenaar van deze boten ontwierp nog veel meer schepen. Dick Lefeber. Begin 2000 is hij overleden. Hij bleef altijd op de achtergrond, terwijl hij toch ייn van de grote Nederlandse jachtontwerpers was. Een portret.

Mensen die Dick Lefeber van dichtbij hebben meegemaakt kennen hem als een man die doet denken aan de schepen die hij tekende doet denken: nuchter, innemend, bescheiden en zonder poespas. 
Bootjes tekenen heeft Dick Lefeber eigenlijk zijn hele leven gedaan. Hij begon er al vroeg mee want reeds als kind deed hij niets liever. Ook toen hij als onderwijzer voor de klas stond nadat hij achtereenvolgens de HBS, zijn dienstplicht en de kweekschool had gedaan bleef hij bootjes tekenen. Al gauw bleek dat voor de klas staan niet zijn ware roeping was en hij besloot van zijn hobby zijn beroep te maken. Hij klopte met een ontwerp aan bij scheepswerf Van Goor in Monnickendam en werd prompt aangenomen.
Autodidact
Op deze door de drie gebroeders Van Goor geleide scheepswerf werden allerlei soorten beroepsschepen gebouwd (zandzuigers, viskotters, werkvletten, sleepboten en binnenvaartschepen) en er werden bijvoorbeeld ook binnenvaartschepen verlengd. Dick Lefeber, autodidact op het gebied van technisch tekenen en ontwerpen, deed al het tekenwerk voor de werf. Dat gold niet alleen de schepen, maar ook als er in bijvoorbeeld in een zandzuiger vele kilometers pijpleiding kriskras door het schip moesten komen: Lefeber tekende het en dan kon het, zonder enige aanpassing, direct worden gebouwd.

In de avonduren, thuis, bleef hij bootjes tekenen, deels uit liefhebberij maar ook voor de welkome bijverdienste. Deze activiteiten vonden plaats onder de naam ‘D.D.H. LEFEBER; TECHNISCH BUREAU VOOR SCHEEPSBOUW’. Er kwamen diverse opdrachten binnen, onder andere voor een zeeschouw en enkele motorkruisers. Op zekere dag vroeg Dick Lefeber (op verzoek van zijn schoonvader die op zoek was naar een roeibootje) namens het bureau offerte aan bij M.E.L. van Wassenaer uit Nederhemert, de bouwer van de EISTA-superboot.
Van Wassenaer vertelt: ‘Ik had in al mijn advertenties gezet: “vraag folder aan” en dat had een bureau voor scheepsbouw gedaan. Op een gegeven moment wilde ik variaties op de roeiboot, die een groot succes bleek te zijn. Er kwam vraag naar een maat groter, een maat kleiner, een kajuitje en dat soort dingen. Maar we kenden niemand die genoeg verstand had van boten om mij er mee te helpen. Toen  herinnerde ik me die brief en maakte een afspraak met Lefeber. Nadat  hij me liet zijn ontwerpen had laten zien wist ik: dit is een man met hart voor de zaak. En ik vroeg hem de aanpassingen aan de roeiboten te doen’. 
Spoedig bouwde de werf naast de serie roeiboten  tevens een ‘runabout’ (waarachter kon worden gewaterskied), een stalen kano en een kajuitkruisertje, allemaal naar ontwerp van Dick Lefeber. En het jaar daarna volgde een serie motorkruisers met een moderne Amerikaans/Italiaanse lijn waarvan vooral de Arthur en de Arthur Nova redelijk succesvol waren.

Caravan in ponton
Hoewel de roeiboot voor zijn schoonvader er uiteindelijk niet van kwam, was Dick Lefeber inmiddels wel in vaste dienst gekomen van de EISTA WERF, zoals het bedrijf ondertussen heette. Over deze en de daaropvolgende periode schreef Dick Lefeber zelf een aantal jaren geleden in een lustrumnummer van het Doerakclubblad:
“In de jaren ’62-’64 bouwde de werf voornamelijk een jacht in de categorie ‘strijkijzers’ van 9.30m lang. (…) Zeker op de Hiswa’s van ’63 en ’64 bleek dat het concurreren tegen schepen van vergelijkbare lengte (en mindere kwaliteit in onze ogen, althans in de voor seriebouw in aanmerking komende prijsklasse) steeds moeilijker werd, daar veel van dit genre gebouwd werd door kleine werfjes (vader, twee zoons en buurjongen) en vaak ook veel werk aan de toekomstige eigenaar werd over gelaten. Waarschijnlijk om deze niet bij voorbaat schrik in te boezemen voor al het werk dat hem dan te wachten stond, zagen deze boten er ook in afgewerkte staat er veelal uit als ‘eigenbouw’ objecten.
Door dit alles ontstond bij ons het idee met een goedkoop, vooral eenvoudig maar technisch wel verantwoord, bootje te komen waar niets essentieels aan ontbrak en waar de zelfwerkzame eigenaar alleen nog versieringen en extra’s op kon aanbrengen. Het werd een leuke tijd. Veel voorstellen (caravan in ponton), veel praten en ook veel lachen: De eerstgenoemde naam voor het ‘ding’ was “Koekebakker Junior”. Later werd de caravan toch geןntegreerd in het bootlichaam en werd de ponton gemodelleerd tot wat de romp van de Doerak 850

werd. Redelijk begaanbare gangboorden -voor de eigen zekerheid- en een stahoogte voldoende voor mensen die niet van het begin af waren opgezet als basketbalspeler of plafondwitter waren vereist. De langsbanken, op verhoogde vloer, met uitzicht, waren een vondst en een verademing na het gewroet in en op de veel voorkomende dinettes. Door de lengte van 8,50 m en omdat een ruime kuip gewenst werd, was het noodzakelijk een dubbele kooi voorin dwars te plannen, waardoor weer een verhoogd voordek noodzakelijk werd. Daardoor werd het goed mogelijk (geluk moet je hebben) daar een leguaan voor te hangen, wat een aansprekend professioneel aanzicht gaf. Goed daarbij pasten de dubbele bolders, een opluchting na het gewriemel met steeds duurder wordende verchroomde klampen.(…) Daar de boot voor de binnenwateren -met veel lage bruggen- bedoeld was, werd afgezien van een vaste stuurhuiskap (ook uit prijsoverweging natuurlijk) en door de stuurstand-ramen klapbaar te maken werd de kruiphoogte nog verder gereduceerd.”
Meteen nadat de eerste Doerak eind 1964 op de boottentoonstelling van Hamburgwerd tentoongesteld, was duidelijk dat dit concept enorm aansloeg. Niet het minst omdat het schip bijna de helft kostte van de schepen die de EISTA WERF daarvoor bouwde. Het bedrijf schakelde dan ook meteen over  op Doeraks. 
Directeur van Wassenaer en adjunct- en technisch directeur Lefeber vulden elkaar perfect aan. Van Wassenaer was de leek op het gebied van boten, maar met een perfect marketing gevoel en voortdurend nieuwe ideeכn, waarbij hij steeds in het achterhoofd hield hoe goedkoop in serie kon worden geproduceerd. Lefeber wilde vooral mooie boten maken en had de technische knowhow om ervoor te zorgen dat de kwaliteit gewaarborgd bleef.
Lefeber was ook een ontwerper die onorthodoxe oplossingen niet schuwde. Het mooiste voorbeeld daarvan is wel te vinden in de Doerak 650. Op zoek naar zo veel mogelijk binnenruimte op beperkte buitenmaten kwam hij op het idee de kajuit door te laten lopen tot de zijden van het schip. De gangboorden kwamen te vervallen en om toch naar voren te kunnen, bedacht Lefeber de unieke voorkuip-met-voordeur.

Dat leverde een enorme ruime kajuit op voor een boot van 6,50 meter. 
Uit het eerste model Doerak werden uiteindelijk vijfentwintig verschillende modellen ontwikkeld, oplopend in lengtes van 6 tot 11 meter, soms met variaties als achterkajuiten en gesloten stuurhutten. Toch bleven de familietrekken op alle boten duidelijk herkenbaar, op zich al een prestatie.
De gloriejaren

Naar aanleiding van het welslagen van de Doerak wilde van Wassenaer de internationale markt op. Daarvoor moest een schip getekend worden dat meer geschikt was voor open water. Opnieuw koos hij voor een soort schip waarvoor op dat moment geen concurrentie was: een polyester heavy displacement motorzeiler. In deze Banjer is Dick Lefebers beroepsvaartachtergrond goed te zien. De Banjer werd een groot (internationaal) succes.
Zo werden in de gloriejaren van EISTA, eind jaren zestig tot begin jaren zeventig, voortdurend nieuwe modellen uitgebracht. In staal en polyester, allemaal met dezelfde kenmerken: tijdloze lijnen, ruimte en: functioneel. De Banjer werd opgevolgd door de ook weer succesvolle Rogger

, een schip met het accent iets meer op de zeileigenschappen. Tegelijkertijd bracht de werf de nog iets kleinere polyester Tarpan en de Krammer op de markt.
Regelmatig kwam een soort panel bij elkaar om de wensen van de klanten te bespreken en te kijken in hoeverre de schepen daarvoor konden worden aangepast. Als Dick Lefeber een lijstje met wensen of eisen kreeg die hij wel erg ver vond gaan placht hij briefjes terug te sturen met teksten als: “zijn de heren nu helemaal door Lot Junior aangeraakt?”
Toen rond 1974 de botenverkoop door tal van factoren terug begon te lopen kregen bijna alle bestaande modellen een restyling. De grootste modellen Doerak kregen een wat meer vletachtige romp met bijpassende opbouw en ze kwamen onder de naam Marak op het water. In totaal tekende Lefeber meer dan 50 modellen en varianten voor EISTA. Na enkele jaren liep de productie echter zo ver terug dat er voor hem geen werk meer was; er werden geen nieuwe schepen meer ontwikkeld. Lefeber kon bij van traditionele-jachtenbouwer Kooijman & de Vries in Deil als tekenaar aan de slag. Dat sloot goed aan bij zijn voorliefde voor Oud-Hollandse schepen (zo ontwierp hij voor zichzelf en een vriend een 9m zeeschouw die ze, in tweevoud, in eigen beheer bouwden).

De werkzaamheden voor Kooijman en de Vries omvatten voor een groot deel het moderniseren van bestaande ontwerpen uit het begin van de twintigste eeuw, bijvoorbeeld een Lemsteraak naar oorspronkelijk ontwerp van De Boer. Daarnaast tekende Dick Lefeber ook nieuwe schepen, zoals een 7.80m Staverse Jol. Ook nadat Kooijman & de Vries door Ted van Rijnsoever was overgenomen bleef Dick Lefeber, op freelance basis, voor de werf werken. Hij ontwierp een aantal refits, o.a. een  schoenergetuigde motorzeiler van 10.85m. Daarnaast tekende hij diverse rond- en platbodems en ook enkele op een vlet gebaseerde motorjachten, zowel open boten als kajuitjachten. De spectaculairste uitvoering van deze vlet was een expeditievaartuig voor Antarctica.
Panklare ontwerpen
Na  enkele jaren geen vast werk gehad te hebben ging Dick Lefeber vanaf 1985 voor Pieter Beeldsnijder Design in Edam tekenen. Zijn taak daar was het tot in detail technisch uitwerken van de ontwerpen van Beeldsnijder, zodat  ze ‘panklaar’ naar de werkvloer konden. Op deze manier werkte hij mee aan alle projecten van PBDesign, van de reeks Van Wijk sloepen en de Bilhammer tot de bij Royal Huisman gebouwde megazeiljachten

Hyperion en Juliכtte. Pieter Beeldsnijder: ‘Dick was bij mij de ‘senior medewerker’. Door zijn enorme praktische werfachtergrond en technische kennis had hij hier een zeer belangrijke positie en kende hij allerlei technische oplossingen voor problemen die je soms tegenkwam. We missen hem nog steeds. Hij had een enorme inzet en kon soms tot in vergaande details uitwerken. Meegaan naar werven en proefvaarten maken hoefde voor hem niet meer zo nodig “dat komt zonder mij ook vast wel goed” zei hij dan. Het liefst zat hij lekker thuis achter de tekentafel.’ Het laatste project waaraan Dick Lefeber bij PBDesign werkte was ‘project 1742’, de motoropstelling van een 42 meter motorjacht voor een Amerikaanse opdrachtgever. 
Trendsetter
Halverwege de jaren negentig werd Dick Lefeber benaderd door Jos Linssen van Linssen Yachts in Maasbracht voor een nieuw project. Jos Linssen hierover: ‘Als aankomend ontwerper werd ik sterk beןnvloed door de ontwerpen van Dick Lefeber en ik dacht altijd:

ooit wil ik eens met hem samenwerken. Toen we het plan opvatten voor een typisch Hollands, vletachtig schip dachten we dan ook direct aan Dick Lefeber.  In mijn ogen is hij de grootste en toch minst bekende Nederlandse jachtarchitect, een geniaal stylist en constructeur. Ontwerpen van Dick Lefeber zijn klassiek, tijdloos, waardevast, echte schepen zonder poespas. Door zijn enorme ervaring, onder andere bij EISTA, op het gebied van kwaliteitsbouw voor lage kostprijs hebben we ook op bedrijfseconomisch gebied heel veel van hem geleerd.”
De samenwerking resulteerde in de bekende Dutch Sturdy-lijn, een echte trendsetter die zeer succesvol is in binnen- en buitenland: 80% wordt gebouwd voor export naar diverse Europese landen en de USA. 
Jos Linssen: ”Dick dacht ook mee aan onze planning voor vijf א tien jaar. Eens in de paar maanden kwam hij langs met wat schetsjes die hij dan ophing. Soms keek hij er naar en zei dan: “nee, dat is toch wat al te raar”. Dan draaiden we samen maar eens een sjekkie. Als Dick langs kwam was het altijd feest.’

Nog enkele ontwerpen van Dick lefeber:
Lekko

In 1957 won Dick Lefeber de gedeelde eerste prijs in de ‘prijsvraag van het Verbond’ met zijn ontwerp Lekko, 7.45m lang en 2.50m breed. De andere prijswinnaar was  J. Kraaier, o.a. de man achter de Piraat, met de Koppelstok. Gevraagd werd het ontwerp van een motorboot met een lengte tussen de 7 en 7.50m. De boot moest kunnen dienen als begeleidingsschip bij zeilwedstrijden van schepen als Draak, Regenboog of Pampus en moest ook geschikt zijn voor het maken van tochten op de binnenwateren. 
De Lekko was een zware stalen boot en als motor was een Albin 4 cilinder 26-40pk benzine motor gekozen. Uit het juryrapport: “De forse doorlopende zeeg, de goede harmonie tussen voor- en achterschip, de wel wat hoge maar goed geproportioneerde opbouw geven dit scheepje een stoer en prettig uiterlijk. Het gehele ontwerp maakt de indruk van zorgvuldig doordacht te zijn, ook in de onderdelen. Lekko is ook hierdoor een ontwerp, dat veel verdienste heeft. Het zal een aantrekkelijke en karakteristieke motorboot opleveren, die zeker veel voldoening zal kunnen geven aan een eigenaar die voor alles een stoer werkscheepje wenst.” Van de Lekko zijn uiteindelijk drie exemplaren gebouwd.
Zeewaardige motorkruiser van 8.50m.

In de Waterkampioen van november 1960 werd aandacht besteed aan een ontwerp van Dick Lefeber. Het betrof hier een  motorboot met een lengte over alles van 8.50m en een breedte van 2.60m, opnieuw gebouwd in staal. Het schip was bestemd voor twee opdrachtgevers die, ieder vanuit een andere achtergrond, een zeewaardige motorboot wensten. Een andere eis was dat het schip tegen een stootje zou moeten kunnen. Met plaatdikten van 7mm  voor de zool van de dooskiel, 5 en 4mm voor kiel en  romp met zware spanten op afstand van 375mm werd het een stevig schip. De schrijver van het artikel, de toenmalige hoofdredacteur Ir. J.Loeff, concludeert: “De forse zeeg, de hellende voorsteven en het kruiserhek harmoniכren goed met elkaar, terwijl de opbouw hierbij goed aansluit. Zo is een fraai en stoer geheel ontstaan, dat zeker de zeevaarders, maar toch ook wel velen van onze binnenwateren zal kunnen bekoren.”
Nu, achteraf, is leuk om te zien is hoe in dit schip latere Lefeber-ontwerpen als Banjer en vooral Rogger al te herkennen  zijn.